Tussen droom en daad staan cijfers en praktische bezwaren…
Cijfers zijn nooit mijn "fort" geweest. Wiskunde was altijd een zwart beest van het eerste leerjaar tot het zesde middelbaar en mijn doorgaans uitstekende resultaten tijdens mijn vier universiteitsjaren zijn wellicht deels te verklaren door de totale afwezigheid van getallen in de opleiding Geschiedenis.
Nu ik als eerste opvolger deelneem aan de fractievergaderingen van CD&V/N-VA is het echter mijn plicht om ook enig inzicht te verwerven in de ingewikkelde wereld van de stedelijke financiën. Dat ging al bij al redelijk vlot en mits enige nachtelijke leessessies heb ik mezelf ondertussen al enig inzicht verschaft in een paar van de meest prangende financiële dossiers die in Lier momenteel voor hoogspanning zorgen op het stadhuis.
Het eerste en wellicht meest dramatische is dat van de ontsporing van het “gratis bussen”-verhaal dat goed drie jaar geleden begon. Wat toen werd voorgesteld als een beheersbare investering in een autoluwer stadscentrum en een gratis basismobiliteit voor alle Lierenaars is ondertussen afgegleden tot een bodemloze put waar geen maat op lijkt te staan. Elke maand verliest de stad tussen de 50.000 en 60.000 euro aan de “gratis” (een term die opeens wel heel wrang klinkt) bussen, een getal om steil van achterover te vallen. Het is het tien- tot twaalfvoudige van wat er oorspronkelijk geschat werd en wellicht had men bij het invoeren van dit “derdebetalerssysteem” nooit rekening gehouden met een dergelijk rampscenario. Tijdens de schooldebatten in september vorig jaar wees ik er overigens als enige op dat de enorme stijging van de kosten van dit systeem vroeg of laat ons tot een duidelijke keuze zouden dwingen en de afschaffing ervan onontkoombaar zou maken, een standpunt dat me toen niet door iedereen in dank werd afgenomen. Gelijk krijgen achteraf is leuk, maar net zo goed erg frustrerend.
Het is evident dat een ingrijpen hier meer dan ooit noodzakelijk is geworden. Toch is het al meer dan twee maanden geleden dat door de schepen van Financiën werd gevraagd om die dramatische situatie onmiddellijk recht te trekken. Er werd onderhandeld met De Lijn voor een nieuw, véél goedkoper systeem en alles leek in kannen en kruiken. Tot LierLeeft zich er dwars voorlegde en op alle mogelijke manieren het beslissingsproces begon te vertragen. Blijkbaar is het ordewoord bij LierLeeft dat er voor de terugkomst van de gebuisde staatssecretaris Van Weert uit Brussel géén gevoelige besluiten genomen mogen worden. Afhankelijk van hoe lang de federale onderhandelingen aanslepen kan dat makkelijk tot oktober-november duren. A rato van 50.000 euro per maand is dat een factuur van 250.000 euro die Lier mag ophoesten om te wachten op Van Weert. Voor LierLeeft moet eerst een nieuw totaalplan komen voor de mobiliteit, er moet eerst een bekeken worden hoe dit en dat kan geregeld worden… Uiteraard zinvolle vragen, maar wat belet Lier om dat allemaal te doen NA de afschaffing van dat uit de hand gelopen derdebetalerssysteem? Voor het invoeren van de gratis bussen geraakte ook iedereen waar hij moest zijn, dus het argument dat de hele stedelijke mobiliteit in chaos zal wegzinken bij een afschaffing ervan zonder onmiddellijk compenserende maatregelen te treffen is pure kwatsch.
Het tweede en mijns inziens veel moeilijkere dossier is dat van de VZW Eduard Bressinck, die graag het Zwartzustersklooster achter de bibliotheek zou verwerven en gebruiken voor onder andere een cultureel jeugdhotel, bijkomende ruimte voor de Stedelijke Academie voor Muziek, Woord en Dans en voor een hele waaier andere culturele doeleinden, waarin de stad als “huurkoper” zou optreden. Een bewonderenswaardig en razend ambitieus initiatief dat voor Lier als “cultuurhoofdstad” van de regio en daarbuiten een fantastische boost kan betekenen. Mijn eerste reactie was er dan ook één van volledige instemming. Maar uit het debacle van de gratis bussen leerde ik ondertussen dat wanneer men zich laat meeslepen door het enthousiasme dat dergelijke ambitieuze projecten altijd opwekken een zware financiële kater wel eens kan volgen. Daarom heb ik me voorgenomen het hele Eduard Bressinck-dossier zo kritisch mogelijk op te volgen en te analyseren vooraleer er een besluit over te nemen. Dat ben ik wel aan mijn belasting betalende stadsgenoten verplicht.


