maandag 18 juni 2007

Tussen droom en daad staan cijfers en praktische bezwaren…

Cijfers zijn nooit mijn "fort" geweest. Wiskunde was altijd een zwart beest van het eerste leerjaar tot het zesde middelbaar en mijn doorgaans uitstekende resultaten tijdens mijn vier universiteitsjaren zijn wellicht deels te verklaren door de totale afwezigheid van getallen in de opleiding Geschiedenis.

Nu ik als eerste opvolger deelneem aan de fractievergaderingen van CD&V/N-VA is het echter mijn plicht om ook enig inzicht te verwerven in de ingewikkelde wereld van de stedelijke financiën. Dat ging al bij al redelijk vlot en mits enige nachtelijke leessessies heb ik mezelf ondertussen al enig inzicht verschaft in een paar van de meest prangende financiële dossiers die in Lier momenteel voor hoogspanning zorgen op het stadhuis.

Het eerste en wellicht meest dramatische is dat van de ontsporing van het “gratis bussen”-verhaal dat goed drie jaar geleden begon. Wat toen werd voorgesteld als een beheersbare investering in een autoluwer stadscentrum en een gratis basismobiliteit voor alle Lierenaars is ondertussen afgegleden tot een bodemloze put waar geen maat op lijkt te staan. Elke maand verliest de stad tussen de 50.000 en 60.000 euro aan de “gratis” (een term die opeens wel heel wrang klinkt) bussen, een getal om steil van achterover te vallen. Het is het tien- tot twaalfvoudige van wat er oorspronkelijk geschat werd en wellicht had men bij het invoeren van dit “derdebetalerssysteem” nooit rekening gehouden met een dergelijk rampscenario. Tijdens de schooldebatten in september vorig jaar wees ik er overigens als enige op dat de enorme stijging van de kosten van dit systeem vroeg of laat ons tot een duidelijke keuze zouden dwingen en de afschaffing ervan onontkoombaar zou maken, een standpunt dat me toen niet door iedereen in dank werd afgenomen. Gelijk krijgen achteraf is leuk, maar net zo goed erg frustrerend.

Het is evident dat een ingrijpen hier meer dan ooit noodzakelijk is geworden. Toch is het al meer dan twee maanden geleden dat door de schepen van Financiën werd gevraagd om die dramatische situatie onmiddellijk recht te trekken. Er werd onderhandeld met De Lijn voor een nieuw, véél goedkoper systeem en alles leek in kannen en kruiken. Tot LierLeeft zich er dwars voorlegde en op alle mogelijke manieren het beslissingsproces begon te vertragen. Blijkbaar is het ordewoord bij LierLeeft dat er voor de terugkomst van de gebuisde staatssecretaris Van Weert uit Brussel géén gevoelige besluiten genomen mogen worden. Afhankelijk van hoe lang de federale onderhandelingen aanslepen kan dat makkelijk tot oktober-november duren. A rato van 50.000 euro per maand is dat een factuur van 250.000 euro die Lier mag ophoesten om te wachten op Van Weert. Voor LierLeeft moet eerst een nieuw totaalplan komen voor de mobiliteit, er moet eerst een bekeken worden hoe dit en dat kan geregeld worden… Uiteraard zinvolle vragen, maar wat belet Lier om dat allemaal te doen NA de afschaffing van dat uit de hand gelopen derdebetalerssysteem? Voor het invoeren van de gratis bussen geraakte ook iedereen waar hij moest zijn, dus het argument dat de hele stedelijke mobiliteit in chaos zal wegzinken bij een afschaffing ervan zonder onmiddellijk compenserende maatregelen te treffen is pure kwatsch.

Het tweede en mijns inziens veel moeilijkere dossier is dat van de VZW Eduard Bressinck, die graag het Zwartzustersklooster achter de bibliotheek zou verwerven en gebruiken voor onder andere een cultureel jeugdhotel, bijkomende ruimte voor de Stedelijke Academie voor Muziek, Woord en Dans en voor een hele waaier andere culturele doeleinden, waarin de stad als “huurkoper” zou optreden. Een bewonderenswaardig en razend ambitieus initiatief dat voor Lier als “cultuurhoofdstad” van de regio en daarbuiten een fantastische boost kan betekenen. Mijn eerste reactie was er dan ook één van volledige instemming. Maar uit het debacle van de gratis bussen leerde ik ondertussen dat wanneer men zich laat meeslepen door het enthousiasme dat dergelijke ambitieuze projecten altijd opwekken een zware financiële kater wel eens kan volgen. Daarom heb ik me voorgenomen het hele Eduard Bressinck-dossier zo kritisch mogelijk op te volgen en te analyseren vooraleer er een besluit over te nemen. Dat ben ik wel aan mijn belasting betalende stadsgenoten verplicht.

dinsdag 12 juni 2007

Slechte verliezers en goede voorspellingen.

De kiezer heeft altijd gelijk, zegt men. Flauwekul. Dit is vooral een overwinning voor de antipolitiek, de navelstaarderij.’ Deze gevleugelde woorden werden gesproken door Peter Tom Jones, derde op de Groen!-senaatslijst. Het is typerend voor de zurige reacties op de uitslag van vorige zondag door een groot deel van de linkerzijde. Groot zijn in de nederlaag, zoals SP.A-voorzitter Van de Lanotte, is duidelijk niet iedereen gegeven. Het is interessant om de reacties op de opiniepagia van www.standaard.be eens te gaan lezen. Heel wat teleurgestelde Paars-liefhebbers spuwen daar net als Jones hun gal over de domme Vlaamse kiezers die de zegeningen van Verhofstadt-II niet waardeerden en als domme lemmingen een conservatief-nationalistische bende verkozen die de Paarse modelstaat in vier jaar tijd zullen omvormen tot een reactionair Mordor.

Als je de verkiezingen verloren hebt, heb je twee mogelijkheden. De eerste, eerlijk toegeven dat je als partij faalde en de gebrachte boodschap moet aanpassen, vereist natuurlijk een behoorlijke intellectuele inspanning. De tweede optie, waarbij de fout bij de domme kiezer wordt gelegd, is véél eenvoudiger en dwingt niet tot enige zelfkritiek.

Eén van mijn voorspellingen op deze blog is nog eerder dan ik verwacht had uitgekomen: De hype van het klimaat als verkiezingsthema is doorprikt als een zeepbel. Groen! verloor gewoon stemmen in vergelijking met 2004, toen er van de slideshow van Al Gore nog geen sprake was. Ook Spirit, dat zich eveneens geprofileerd had op het klimaatthema (zo kreeg ik van Els Van Weert vorige vrijdag op het Zimmerplein nog een foldertje met een afbeelding van de Zimmertoren in zee, en de uitleg dat dat alleen maar kon voorkomen worden door op Spirit te stemmen), is verschrikkelijk afgegaan. Dé exponent van de hele klimaathype, de zweverige Kapelse huisvrouw Margaretha Guidone, mocht met een schamele 2901 voorkeurstemmen haar hooggespannen ambities meteen inpakken. Ik herinner me een veertiende opvolger voor de N-VA die twee jaar geleden zelfs honderd stemmen meer haalde. Het klimaatprobleem zal uiteraard niet opgelost worden door deze verkiezingen, maar het zal allicht op een rationelere en minder exploitatieve manier worden behandeld, zonder gegoochel met doembeelden over de Zimmertoren aan zee...

zaterdag 9 juni 2007

10 juni: Bedenkingen over progressief en conservatief op de verkiezingsdag

Zondag 10 juni. Het volksfeest dat een verkiezing in Vlaanderen meestal is, staat op het punt aan te breken. Ter verhoging van de persoonlijke feestvreugde ga ik zelfs een ganse namiddag mijn wiskundige talenten ontplooien op een telbureau als vrijwillige secretaris.

Uiteraard heb ik zelf al lang uitgemaakt wie mijn stem krijgt: De N-VA-kandidaten op de Kamer- en Senaatslijst, Leterme en een occasionele CD&V’er zoals Ergun Top voor wie ik het wel heb mogen van mij een rood bolletje achter hun naam verwachten. De vooruitzichten zijn erg goed, maar pas wanneer de laatste stem morgen geteld is zullen we weten hoe de kaarten echt geschikt zijn. En dan moet het pas écht beginnen…

Overdreven triomfalisme zou overigens misplaatst zijn. Dat het acht jaar duurde voor Paars eindelijk de pendel in haar nadeel zag keren is erg lang. Bovendien stel ik vast dat iemand die me zeer na staat en ik als erg verstandig beschouw, met liet weten onmogelijk voor CD&V/N-VA te kunnen kiezen. Bang voor hun conservatisme, bang om alle ethische hervormingen van de afgelopen jaren teruggedraaid te zien worden. Doodjammer, want volgens mij helemaal niet terecht. Maar het bewijst in elk geval hoe vertrokken de gemiddelde beeldvorming rond ethiek in de Vlaamse partijprogramma’s geworden is. Dat kende zijn wortels in deze federale kiescampagne, in het bijzonder die van OpenVLD.

De manier waarop OpenVLD zich profileerde als behoeder van het “progressieve bilan” van Paars en dreigde met doemscenario’s van reactionaire achterlijkheid die Vlaanderen in hun greep zouden krijgen als zij er niet meer zouden zijn was wansmakelijk. Het hele proces van de verandering naar “Open” VLD was veelzeggend. De “Open” VLD, dat impliceert immers dat de anderen “gesloten” zijn. Het was dan ook juichen voor OpenVLD toen Wouter Beke, huisideoloog van CD&V, begin dit jaar een boekje schreef getiteld “De mythe van het vrije ik”, waarin hij het had over hele foute dingen als verbondenheid, sociale controle, het belang van het individu als onderdeel van een groep… Gretig kwamen VLD’sters als Hilde Vautmans in de Zevende Dag vertellen dat ze koude rillingen kreeg van Beke’s werk, dat haar deed terugdenken aan de tijd dat de pastoor haar ouders kwam vertellen wat kon en niet kon. De boodschap kon niet duidelijker zijn: Stem CD&V/N-VA en morgen staat de lokale pastoor op de stoep om je de levieten te lezen over je losbandige levensstijl.

Er is in Vlaanderen een brede consensus over zaken als recht op abortus, de gelijkheid der seksen, de gelijke rechten van holebi’s en dies meer. Zij die de klok helemaal willen terugdraaien vormen een kleine en uitstervende groep. Alleen zij verdienen het veel te goedkoop uitgedeelde predikaat ‘reactionair’. Dat gedachtegoed wordt bij CD&V geenszins aangehangen. Het is dan ook ridicuul te stellen dat CD&V/N-VA handenwringend zit te wachten om het Vlaanderen van 1950 te doen herleven. Ook de christen-democraten leven in de 21e eeuw.

Daarentegen is er niets mis met een gezond conservatisme, zoals Beke in “De mythe van het vrije ik” bepleit en waar ik me grotendeels in kan vinden. Het individualisme van totale sociale en ethische vrijheid waar het dogmatische liberalisme van droomt is geen zaligmakende samenlevingsformule. De mens die volledig vrij wordt, wordt tegelijkertijd immers volledig aan zichzelf overgelaten. Van die “vrijheid blijheid” profiteren zij die het beste gewapend zijn om keuzes te maken, de sterksten en de slimsten dus. De zwaksten in de samenleving zijn echter minder gediend met een “open” maatschappij van 6 miljard eilandjes. Sociale netwerken en groepen, gaande van een jeugdbewegingsgroep tot een volksgemeenschap, zijn voor individualisten negatief, want zij verhinderen door hun sociale controle en interne normering het individu om zich ten volle naar eigen goeddunken te ontplooien. Maar voor de zwakkere in de samenleving biedt verbondenheid met een groter geheel net een houvast, een medicijn tegen ontheemding en vereenzaming. Normen en waarden die door een ganse samenleving worden gedragen en op een menselijke manier beleden worden zijn niet beknottend of verstikkend maar geven integendeel de kans aan iedereen om zijn individuele vrijheid te beoefenen zonder die telkens opnieuw voor zichzelf te moeten definiëren en afbakenen.

Het is geen toeval dat het hoogfeest van de individuele vrijheid, de Franse Revolutie, gevolgd werd door een lange periode van armoede en sociale ellende. De mens werd aan de sociale controle van zijn dorp, kerk en ambacht onttrokken en volledig vrij gemaakt door die Revolutie. Eeuwenoude tradities verdwenen, maar vrij en gelukkig werden de meesten er niet van. Wat had men aan die individuele vrijheid wanneer het sociale vangnet van het dorp of de gilde verdween en plaats maakte voor een “iedereen voor zichzelf”-kapitalisme dat het verpauperde arbeidersvolk creëerde dat in “Daens” zo treffend werd verbeeld? Die Adolf Daens, de man waar socialisten en liberalen graag mee oplopen, was trouwens een pastoor die de mensen kwam vertellen wat ze moesten doen. Blijkbaar heeft dat nu en dan toch zijn nut?